Gratis verhaal

Waterschade

Nog negenenvijftig dagen. Help, hoe hou ik dat vol zonder gillend gek te worden? Voor de zoveelste keer verzet ik me tegen de impuls om rechtsomkeert te maken en hou ik mezelf voor met welk doel ik deze afgrijselijke bijbaan moet zien te behouden. Dat doel heet Dimitris, achtentwintig lentes jong. Is hij de ware? Kans om dat te ontdekken heb ik niet, aangezien hij cocktails staat te shaken op Kreta en ik hier in Den Haag voor dag en dauw blik sta te wassen. Ik veeg mijn handen, schraal geworden door al dat schoonspuiten van auto’s, af aan mijn gifgroene werkpolo. 

‘Je kunt dit, Evy,’ spreek ik mezelf moed in. ‘Gewoon een kwestie van stug doorgaan.’

Vlak voor de ingang van de wasstraat begint een dikke SUV te seinen met groot licht. Uit de driftige handgebaren van de bestuurder maak ik op dat hij weinig geduld heeft. Fijn, een opgefokt mannetje.

‘Komt u maar,’ roep ik met automatische-pilootstem, en ik wenk hem met de hogedrukspuit in mijn hand. De motor ronkt als een formule 1-wagen. Ik deins achteruit, geschokt door de snelheid waarmee de bolide met piepende banden optrekt en even later abrupt tot stilstand komt. Het raam schuift omlaag. 

Ik begroet de bestuurder met een geforceerde glimlach, maar zelfs die weet ik niet vol te houden. De man steekt zijn hoofd uit het raam. ‘Een bijzonder goedemiddag, meisje. Jij ziet eruit alsof je ook wel een beurt kunt gebruiken.’

‘Dit hoef ik niet te pikken,’ zeg ik hardop. Adem in, adem uit. In drie grote passen sta ik bij zijn auto. 

Twee glimmende ogen kijken me aan. ‘Je mag mijn hogedrukspuit wel gebruiken als je wilt.’

Boos geef ik een klap op het autoportier. ‘Opzouten, of ik ga gillen.’ Met de air van een politieagent richt ik de hogedrukspuit als een pistool op de man, die geheel in stijl reageert door zijn handen omhoog te houden.

‘Handen omhoog of ik schiet’ was toepasselijker geweest, maar dat klinkt zo cartoonesk. 

Met een krachtige vloek sluit de man het raam en hij laat zijn auto richting de lopende band rollen, waar hij verdwijnt achter het plexiglas. 

Pff, even tot mezelf komen. Allemachtig.

Zuchtend leg ik mijn hand tegen mijn wang, die gloeit ondanks een buitentemperatuur van zeven graden op deze frisse dag in maart. De brutaliteit, wat denkt die viezerik wel? Het wordt hier steeds gekker. Ik kijk om me heen. Gelukkig. Niemand in de rij. De enige mensen in de buurt zijn mijn baas Cees en slungelige collega Wouter. Van hen hoef ik geen helpende hand te verwachten. Mijn baas, Cees Carwash, zoals ik hem in mijn hoofd noem, heeft het zoals altijd te druk-druk-druk met ‘de administratie bijwerken’ – vrij vertaald: Minecraft spelen op zijn telefoon – om zich te bekommeren om zijn personeel. En dat terwijl ik alleen al het afgelopen uur minstens drie seksistische opmerkingen naar mijn hoofd geslingerd heb gekregen. It’s a man’s world gaat hier letterlijk op. 

Oké, ik geef toe, ik had ook nee kunnen zeggen tegen dit uitzendbaantje. Kun je nagaan hoe wanhopig graag ik terug naar Kreta wil vliegen. Naar Dimitris, mijn Griekse liefde die ik afgelopen najaar heb leren kennen. Met wie ik twee romantische maanden heb beleefd en nog bijna dagelijks contact heb, hoewel de laatste keer vijf dagen geleden is. Dimitris is de motivatie waardoor ik alweer vijf weken auto’s schoonspuit, antennes en spiegels inklap en dubbelzinnige opmerkingen incasseer. Hij is het waard. Denk ik. Hoop ik… Over twee maanden zal ik het ontdekken. Op Kreta. Wat voelt hij voor mij? Is er een toekomst voor ons? Wat een eng woord; toekomst.

‘Juffrouw?’ hoor ik dan achter me. ‘Mag ik doorrijden?’

Mijn Griekse god verdwijnt naar de achtergrond en verdwaasd draai ik me om naar een zwarte BMW. Jeetje, ik had niet eens gemerkt dat er een nieuwe klant aankwam. Een hoofd steekt uit het raam. Een niet onaantrekkelijk mannengezicht. De zijkanten van zijn donkerblonde haren wapperen op door een windvlaag die door de carwash trekt. Wanneer hij zijn arm uit het raam steekt, en ik sein dat hij zijn auto mag verplaatsen, zie ik het al. Een pak. Nee hè. Is zijn ego net zijn groot als zijn wagen, dan kan ik beter maken dat hij zo snel mogelijk achter het plexiglas verdwijnt.

De man in pak steekt zijn arm weer uit het raam. ‘Alsjeblieft.’ 

Ik pak de waskaart van hem aan en werp vluchtig een blik naar binnen. ‘Houd uw broek aan,’ gooi ik eruit met een stem die afstandelijker klinkt dan ik van mezelf gewend ben.

De man trekt zijn wenkbrauwen hoog op. ‘Pardon? Ik weet niet wat voor een wasstraat dit is, maar waar ik mijn auto normaal gesproken laat wassen is het gebruikelijk om aangekleed te blijven.’ 

Aan de manier waarop zijn onderlip trilt, zie ik dat het hem moeite kost serieus te kijken en niet in lachen uit te barsten. Het zweet breekt me uit als ik bedenk hoe idioot ik me gedraag. ‘Sorry, ik kan het uitleggen.’

Met een lach van oor tot oor wrijft hij over zijn gladgeschoren kaak. ‘Ik ben reuzebenieuwd.’

Het bloed bereikt mijn wangen als twee ogen me geamuseerd aankijken. 

Mooie, lichtblauwe ogen. 

Slik. 

‘U vindt het misschien normaal om uw broek aan te houden; de klant vóór u dacht daar anders over.’

‘Meen je dat? Wat lopen er toch een boel mafkezen rond in de wereld. Maar… op basis van één ervaring denk jij dat je de eerstvolgende keurig nette klant moet berispen voor er ook maar iets onwelgevalligs is gebeurd?’

‘Nou nee, dat ook weer niet, en het was geen berisping maar een waarschuwing, en ik kan melden dat hier bij de carwash een aanzienlijk deel van de mannen…’ Ik bijt op mijn tong om mezelf een nog grotere afgang te besparen.

Een tijdje staren we elkaar zwijgend aan, waarna we allebei in de lach schieten.

‘Wat een vreemde ontmoeting is dit,’ stamel ik.

‘Als je alle klanten op deze manier benadert, kun je beter een carrièreswitch overwegen. Bij voorkeur achter de schermen.’ Hij steekt zijn hand op. ‘Ik ben trouwens Dex.’

‘Evy,’ zeg ik met enige terughoudendheid en ik hou de hogedrukspuit omhoog terwijl ik zijn auto vluchtig in me opneem. Die vogelpoep daar krijg ik er wel af, schat ik in. Ook al lijkt deze man best aardig, ik laat me niet bedonderen. Ik vertrouw geen enkele man meer. Behalve Dimitris dan. Die geen pak draagt. Zodra ik het handvat inknijp, knalt de waterstraal hoog de hogedrukspuit uit. Te hoog. Op pakhoogte. Het water spuit met kracht de auto in.

‘Niet doen, stop!’ gilt hij. ‘Het raam staat nog open.’ 

Van schrik verander ik de spuit van richting. Mijn richting… Met een gil laat ik het gewraakte geval los. 

Met maaiende armen doet de man in pak een poging het raam te sluiten.

Het is al te laat. Het opspattende water loopt mijn sokken in, en druppelt ook nog uit mijn broekspijpen en mouwen. Ik moet er volstrekt verzopen uitzien. 

Hm, hij is er al niet veel beter aan toe, te zien aan het haar dat vastplakt aan zijn voorhoofd, zijn drijfnatte overhemd, jas en broek. Die arme man, wat ben ik toch een kluns.

‘Sorry, niks aan de hand!’ roep ik, lichtelijk hysterisch gebarend, naar de beige bak achter me die staat te wachten op zijn beurt. Die chauffeur kiest eieren voor zijn geld, draait om en rijdt weg. Liever een vieze auto dan een nat pak, zal hij hebben gedacht. 

Verbouwereerd kijkt Dex strak voor zich uit. 

O, nee. Zijn donkerblauwe pak is echt doorweekt. Druppels rollen uit zijn haar en over zijn gezicht.

Ik schaam me kapot voor de ravage en klop op het raam, dat hij inmiddels dicht heeft gekregen. ‘Ik zet ’m er wel even in, dan kunt u zich intussen afdrogen,’ zeg ik door het dichte raam heen tegen hem. 

Het raam schuift weer open. ‘Zeg maar je, en nee, dat hoeft niet, ik zet ’m er zelf wel in.’ Terwijl hij het raam weer dichtdoet, hoor ik hem voor zich uit zeggen: ‘Hemel, dit heb ik echt nog nóóit meegemaakt.’

Gewillig doe ik een stap naar achter, en ik kijk bedremmeld toe hoe hij langzaam optrekt en de auto de lopende band op laat rollen. 

‘Handrem los, versnelling in z’n vrij en spiegels inklappen,’ roep ik hem nog na, maar mijn stem gaat verloren in het aanzwellende gebrul van de wasinstallatie. De catastrofe lijkt afgewend. Denk ik. Hoop ik.

Natuurlijk niet, ik kan die man toch niet zo laten gaan? Dadelijk heeft hij nog schade aan zijn auto of dure pak… Mijn maag krimpt samen van ellende. Nederland is stukken veiliger als ik over een halfjaar weer in de collegebanken zit, waar ik geen brokken kan maken. Welke collegebanken dat ook mogen zijn, want ik heb geen idee welke kant ik uit wil met mijn studie. Sterker nog, met mijn leven. Griekenland en Dimitris lijken plotseling een stuk verder weg, mocht Dex me aansprakelijk stellen. Het huilen staat me plotseling nader dan het lachen.

Ik verman me en loop met ferme tred naar buiten, waar ik wacht tot de BMW de wasstraat verlaat.

Blinkend zwart rijdt hij naar buiten. Het portier slaat open en Dex stapt uit. Zijn schoenen piepen als hij mijn kant op loopt. ‘Zo, wij zijn schoon,’ merkt hij op, en ik ben tegelijk verbaasd en verrast door zijn humoristische ondertoon. Hij kijkt me aan.

Ik kijk terug in zijn ogen, die nog nét zichtbaar zijn onder een druipende pony. Zijn haar, drie tinten donkerder dan daarnet in droge staat, piekt alle kanten op. Hij ziet er grappig uit en lijkt in niets op een carrièreman. Als twee magneetjes zuigen mijn ogen zich vast aan zijn torso, waar, dankzij het vochtige overhemd, de contouren van een sexy borstkas zich duidelijk aftekenen. Hij merkt dat ik staar. Bij die bewustwording stijgt het schaamrood me opnieuw naar de kaken, wat ontzettend opvalt bij mijn spierwitte huid en asblonde haar. Damn!

Bedachtzaam plukt hij aan zijn kin. De haartjes op zijn pols staan rechtovereind. ‘Stonk ik zo vreselijk dat ik ook een wasbeurt nodig had?’ 

Mijn hart bonst in mijn keel en mijn knieën wiebelen als mikadostokjes: ik sta echt compleet voor joker. ‘Nogmaals sorry…’

‘Wacht.’ Hij loopt weg, morrelt aan de kofferbak, pakt er twee handdoeken uit en staat weer tegenover me. ‘Alsjeblieft.’

Dankbaar neem ik een handdoek van hem aan. ‘Waarom heb je een handdoek in je kofferbak liggen?’

Er breekt een lach door op zijn gezicht als hij zijn haren afdroogt. ‘Voor natte ontmoetingen.’

‘Juist, ja.’ Ik dep mezelf droog, geef de handdoek terug en woel met mijn handen door mijn haren. Ik zie dat hij naar me kijkt en kan het niet laten terug te staren. Vreemd genoeg is van zijn gezicht geen greintje woede of irritatie af te lezen. Integendeel: hij lijkt dit alles nogal geestig te vinden.

Ik buig mijn hoofd en zie tot mijn afgrijzen dat er twee harde puntjes tegen mijn gifgroene polo drukken. Zou hij dat ook hebben gezien? Zijn gezicht laat in ieder geval niets los. Onopvallend bedek ik mijn borsten met mijn armen. Ook dat nog, dadelijk kan ik nog meedoen met een Miss Wet T-shirt Contest.

Dex strekt zijn armen en bekijkt de natte plekken op zijn mouwen. ‘Hm, toch maar eerst omkleden. Ik denk dat collega’s me niet serieus nemen wanneer ik in deze staat op de vergadering verschijn.’

‘Laat mij de stomerij betalen.’ Ik graai naar een papiertje in mijn kontzak. ‘Heb jij toevallig een pen? Bel me maar voor de kosten. Ook voor de schade aan je auto.’

Dex knippert snel met zijn ogen en gebaart naar mijn corpulente baas, die met zijn armen over elkaar geslagen tegen de deurpost van zijn kantoortje leunt. Een pluim sigarenrook waait in onze richting. ‘Bedrijfsrisico, neem ik aan? Hiervoor ben je toch gewoon verzekerd?’

‘Dan ken je hem daar nog niet,’ flap ik eruit voordat ik geschrokken een hand voor mijn mond sla.

Dex legt zijn hand op mijn bovenarm bij wijze van afscheid en er trekt een tinteling van mijn tenen tot aan mijn kruin.

‘Ik wil alles vergoeden,’ herhaal ik, hoewel het nauwelijks helpt me beter te voelen. Ik baal van mezelf. 

Hij haalt zijn schouders op. ‘Ach, het is maar water. Ik zal de auto laten nakijken, gelukkig is het een leasebak. Het loopt wel los.’

De startende motor die zijn vertrek aankondigt, komt als een geschenk uit de hemel. Mijn lichaamstemperatuur heeft intussen een gevaarlijke waarde aangenomen. Niet enkel door mijn blunder; dat hij een knappe, aardige man is, speelt minstens zo’n grote rol.

In het plexiglas van het inmiddels weer gesloten rolluik zie ik mijn weerspiegeling. Mijn asblonde lokken hangen in steile slierten rond mijn gezicht. Ik kijk nog een keer en schrik me rot als Cees Carwash plotseling met stoom uit zijn oren mijn kant op stuift. 

‘Juffrouw Reinders, lever je pasje maar in. Je bent ontslagen.’ 

Met stomheid geslagen geef ik zonder tegensputteren mijn medewerkerpasje af. Er kan nog net een groet af, waarna mijn baas zich omdraait en met grote passen wegloopt. De deur van zijn kantoor slaat hard achter hem dicht. 

Minutenlang ben ik te aangeslagen om op mijn fiets te stappen. Lekker dan, ik krijg niet eens de kans mezelf te verdedigen. Ik onderdruk de neiging mijn middelvinger op te steken en het rotgevoel dat ik heb overgehouden aan deze middag zorgt ervoor dat ik harder doortrap dan gewoonlijk. De wind snijdt venijnig langs mijn wangen als ik naar mijn flat fiets. Dit is ontzettend balen. Nu moet ik voor twee maanden nieuw werk vinden, en dat terwijl de banen niet voor het oprapen liggen. Treurig parkeer ik mijn brik in de fietsenstalling en ik loop naar binnen. Dadelijk Dimitris maar bellen. Dat vrolijkt me wel op.

De dag na het carwashfiasco heb ik mezelf herpakt en fiets ik vol goede moed naar het centrum. Ik loop binnen bij een uitzendbureau, schrijf me in en na de belofte van de intercedente dat ze haar best voor mij zal doen, kuier ik een poosje nutteloos door de winkelstraat, me vergapend aan etalages terwijl ik toch niks kan kopen. Dan zie ik een afbeelding van een idyllisch Grieks strand in de etalage van een reisbureau, net nu het me lukte om eventjes niet terug te denken aan het FaceTime-gesprek met Dimitris gisteravond. Ik sta stil en droom weg bij de azuurblauwe zee op de poster. Het is alsof ik ons tweeën weer hand in hand zie lopen op het strand van Rethymno, afwisselend kusjes stelen en elkaar plagen. Mijn hart knijpt pijnlijk samen als ik terugdenk aan ons gesprek gisteravond. Wat was het heerlijk om hem op beeld te zien en zijn stem te horen. Zoals hij mijn naam uitspreekt met dat Griekse accent en dat rauwe randje op zijn stem. Hmm… Het was fijn, en toch had ik na afloop een raar gevoel. Er knaagt iets. Steeds als ik begin over mijn plannen om binnenkort naar Kreta te gaan, maakt hij grapjes of stuurt hij het gesprek een andere kant op. Een kant die niet in de buurt komt van het Griekse eiland. Hoewel grapjes maken net zo bij hem hoort als zijn zwarte krullen, snak ik naar de bevestiging dat hij mij even graag terugziet als ik hem.

Maar dat is vast wel zo. Ik zie spoken. Hij wil hetzelfde als ik, zeker weten.

Een windvlaag vindt een opening in mijn hoog dichtgeritste jas. Ik ril. Als ik omhoogkijk, valt me op dat de lucht aan het betrekken is en donkere wolken zich razendsnel samenpakken. Om de stortbui voor te zijn, duw ik tegen de deur van het reisbureau, die niet meegeeft. Wegens privéomstandigheden gesloten, vertelt het bordje op de deur. Vlug versnel ik mijn pas, terwijl de regen al met bakken uit de lucht komt. Ik trek mijn capuchon ver over mijn oren en sprint naar… ja, waarheen eigenlijk? Die stomme regen ook, misschien moet ik inderdaad maar in Griekenland gaan wonen. Heb ik tenminste een doel in mijn leven.

‘Au, pas op!’ schreeuwt iemand boven de herrie van de kletterende regen uit.

‘Kijk zelf uit,’ roep ik geagiteerd tegen degene die mijn schouder haast uit de kom stootte. 

Twee lichtblauwe ogen onder een capuchon kijken me aan. De strakke streep om de mond verandert in een glimlach. ‘Carwashmeisje Evy,’ stelt hij vast.

‘O, dag Dex, wat een toeval,’ zeg ik nonchalant, totaal niet passend bij mijn wild bonkende hart en knikkende knieën. Ik begrijp mezelf niet. Ik haat mannen in pak.

‘Kom, we gaan schuilen,’ roept hij kordaat en hij trekt me aan mijn doorweekte mouw mee. 

Slalommend tussen plassen door, stranden we buiten adem en nat tot aan onze kruin in de Hema. In ieder geval een ruime voorraad droog ondergoed, constateer ik terwijl ik om me heen kijk, nog altijd nahijgend met mijn handen op mijn bovenbenen.

Dex ritst zijn jas los en schudt zijn hoofd. Hij lijkt op een Berner sennenhond die zich uitschudt na een plons in een plas. Ik grinnik om het beeld dat het bij mij oproept. ‘Koffie? Of ga je liever direct door naar de stomerij?’ Dat laatste zeg ik met een hoofdknikje naar zijn natte pak. ‘Alweer…’

‘Alweer ja. Als ik jou zie, voel ik blijkbaar geheid nattigheid.’ Hij hangt zijn natte colbert over zijn arm. Zijn witte blouse spant strak om zijn borstkas. Niet slecht. ‘Ik heb weinig tijd, maar op deze manier kan ik niet op kantoor verschijnen. Dus koffie is een goed alternatief.’

Ondanks dat ik door mijn kletsnatte kleding bibber tot op het bot, is er iets aan hem wat me verwarmt. Hij is grappig, deze Dex, denk ik, hem intussen volgend naar het restaurant.

Drie minuten later schuift hij met cappuccino en de befaamde Hema-tompouce bij mij aan het tafeltje. ‘Volgens mij had je trek, dus hopelijk houd je van tompouce.’

‘O, ik dacht dat je die meenam omdat ik eruitzie als een verzopen kat,’ grap ik en mijn hart mist een slag door zijn brede glimlach.

Zijn voorhoofd glimt. Uitgelopen gel? Nee, hij lijkt me niet het type voor troep in zijn haren. Integendeel, zijn haar ziet er zo zacht uit dat ik spontaan zin krijg mijn vingers erdoorheen te laten glijden…

Hij ziet me kijken en haalt zijn hand door zijn haren. ‘Het ziet er zeker niet uit?’

Ik glimlach en lepel een hapje van de schuimlaag naar binnen. ‘Ik schat ongeveer hetzelfde als hoe ik erbij loop.’

Gretig zet hij zijn tanden in de tompouce en hij eet stug door, alsof die toef gele room op zijn kin er niet zit. Jeetje, deze man werpt echt een ander licht op wat het betekent om een pak te dragen.

‘Hoe ben je verzeild geraakt bij een wasstraat?’ vraagt hij, als de onderkant van zijn tompouce is weggewerkt.

Ik wijs naar zijn kin, waarna hij zonder blikken of blozen het gele prutje wegveegt met een servet. ‘Bijbaan. Dacht je misschien dat dit mijn beroep was?’

‘Nou, eerlijk gezegd hoopte ik van niet.’

Ik kijk hem vragend aan, benieuwd waarom hij dat zegt.

‘Ik denk dat jij andere kwaliteiten hebt. Dat hoop ik tenminste.’ Grinnikend maakt hij een prop van zijn servet.

‘Nou, ik bak er niks van. Ik vind het ook niet leuk, maar je moet wat als de banen schaars zijn. Zes maanden geleden ben ik gestopt met mijn studie communicatie. Na twee maanden bardienst en bediening op Kreta, ben ik in de keuken van de Ikea gaan werken, en nu dus…’

‘Mannen natspuiten in de wasstraat,’ vult hij in, en nu neemt hij het roze dak van de tompouce onder handen. Al snel wordt het een slagveld.

‘Zoiets ja,’ zeg ik. ‘Maar dat viel gisteren niet in goede aarde bij mijn baas. Ik kreeg de zak.’

‘Nou ja zeg, zoiets kan toch gebeuren?’ Hij ziet er oprecht verbolgen uit en schuift het bijna lege gebaksbordje opzij. ‘En nu?

Ik zucht zo hard dat er wat schuim van mijn cappuccino waait. ‘Geen idee. Ik weet niet eens welke kant ik op wil met mijn studie.’

‘Er moet toch iets zijn wat je bovengemiddeld interesseert?’

Ik haal mijn schouders op en nip van mijn cappuccino. No way dat ik die tompouce soldaat ga maken, hoeveel trek ik ook heb. Niet weer een flater… ‘Ik ben bang een verkeerde keuze te maken. Of nee, dat ik ergens aan begin en een mooiere, betere kans misloop.’

Hij knikt. ‘FOMO?’

‘Wattuh?’ Ik probeer intelligent te kijken om het niet snugger klinkende ‘wattuh’ iets te compenseren. 

‘FOMO. Fear of missing out.’

‘Ja, dat klopt wel.’ Ik denk diep na. ‘Ik ben bang dat ik in een sleur beland. Dat ik iedere woensdagavond gehaktballen met jus, aardappelen en groenten eet, elke zaterdagmiddag boodschappen doe bij dezelfde Jumbo en op zondagavond mijn broodtrommel vul om maandagochtend klokslag halfnegen achter mijn pc neer te strijken om de bulk weg te werken. Maar niet voordat ik antwoord heb gegeven op de standaardvraag hoe mijn weekend is geweest.’ Alleen al bij de gedachte aan zoveel burgerlijkheid loopt er een rilling over mijn rug.

‘Interessant,’ zegt hij kort. 

Ik steek mijn koffielepel naar hem uit. ‘Hoezo interessant?’

Hij negeert mijn vraag. ‘Waar komt jouw angst voor burgerlijkheid vandaan?’

Ik lachend honend. ‘Ben jij psycholoog of zo?’

‘Omdat ik persoonlijke vragen stel? Sommige mannen praten over meer dan voetbal, formule 1 en verbouwingen.’

‘En hypotheken,’ help ik hem.

‘En hypotheken inderdaad. Nou, waarom ben jij zo bang voor sleur?’

‘Dat ben ik niet. Ik voel me soms zo…’ Ik stop met praten en bedenk dat het waanzin is dat ik dit gesprek voer met iemand met wie ik hooguit tien zinnen heb gewisseld. Met een man in pak, nota bene. De meeste mannen rennen hard weg zodra het gesprek een diepere laag krijgt. Mannen van halverwege twintig, mijn leeftijd, kunnen vreselijk puberaal zijn. ‘Ik ben bang dat ik de boot mis,’ geef ik toe. ‘Zoveel mogelijkheden, zoveel keuzes. Wie zegt dat ik de goede rij voor de kassa kies? Had ik die andere rij gekozen, dan werd ik mogelijk sneller geholpen, waardoor ik misschien wel de man van mijn dromen ontmoette.’ 

‘Aha, jij leeft volgens het wat-alsprincipe.’

‘Ja, inderdaad ja. Wat als ik in Griekenland was gebleven, had ik Dimitris dan wel kunnen overtuigen om naar Nederland te komen?’

‘Dimitris? Je hebt een Griekse vriend?’ De blik die hij me toewerpt laat zich het best omschrijven als verrast, en misschien zelfs wel een tikkeltje teleurgesteld. Nee, mijn fantasie gaat met me op de loop. 

Het bloed in stijgt in recordtempo naar mijn wangen. Niet weer!

‘Nou nee, niet echt een vriend,’ lieg ik. ‘Maar ik heb enkele maanden in een cocktailbar op Kreta gewerkt waarvan hij de eigenaar is. Hij en ik, nou ja, je weet wel.’

‘Dus omdat je niet van standaard houdt, verkies jij gyros boven een gehaktbal.’

Ik proest het uit. ‘Ik denk het ja,’ breng ik lachend uit. Jemig, deze man is hilarisch. En een lach zoals de zijne zag ik ook niet vaak. ‘En wat doe jij?’

‘Ik werk bij de bank. Baas van de bank.’ Het klinkt zo simpel en hij kijkt er tegelijkertijd zo ernstig bij dat ik opnieuw in de lach schiet.

Zijn wenkbrauw schiet omhoog. ‘Ik krijg regelmatig reacties als ik zeg dat ik bij de bank werk, maar lachen is er daar niet een van.’ Dan buigt hij zich zo ver naar voren dat mijn klamme botten spontaan opwarmen. Net als de rest van mijn lichaam. 

‘Ik ben een saaie zakenman. Zo’n type dat over twintig jaar nog bij dezelfde werkgever zit. Met mogelijk iedere dag dezelfde collega’s, hetzelfde broodbeleg. Heerlijk vind ik dat.’

‘Ik snap echt niet wat daar leuk aan is,’ mompel ik.

‘Nee?’ vraagt Dex en ik voel dat hij me strak aankijkt. Maar ik weiger terug te kijken, want ik heb allang gezien dat zijn ogen nog zoveel mooier zijn dan in mijn herinnering.

Hij blijft staren, en als ik opkijk kan ik zijn prachtige ogen niet meer ontwijken.

‘Dus eigenlijk ben jij gewoon saai.’ Ik sla mijn hand voor mijn mond. ‘N-nee, dat is niet waar. Dat bedoel ik niet.’

‘Weet je wanneer je pas echt de boot mist? Als je steeds maar blijft zoeken of er ergens een mooiere boot vaart. De boot blijft niet wachten tot jij weet of je wilt meevaren.’ 

Ik laat zijn woorden op me inwerken en merk dat het me raakt. Dat hij me raakt. Dex maakt iets in me los. ‘Goed is goed, bedoel je?’

‘Ja, dat bedoel ik. Dus… nemen we dit keer een gewone koffie en geen cappuccino?’

‘Dat is goed, ik trakteer.’ Mijn hart maakt een huppeltje als ik hem daar zo zie zitten met zijn verwilderde haren in zijn natte pak. Wat een interessante man. Terwijl ik koffie bestel bij de aardige dame achter de vitrine, merk ik dat mijn blik steeds naar hem toe wordt gezogen. Schattig zoals hij zichzelf stiekem bekijkt in het raam en zijn haar met snelle handbewegingen in model brengt. Ik raak geïrriteerd over mijn eigen gedachten. Sinds wanneer loop ik warm voor een man in pak? Een kantoorman. Ik houd van stoere mannen, liefst met stevige stoppelbaard en ruig haar. Mannen als Dimitris. Aan wie ik sinds die botsing buiten niet meer heb gedacht… Als ik terugloop naar de tafel, zit Dex zo ver voorovergebogen dat zijn neus het raam net niet raakt. 

‘Je haar zit prima, hoor,’ plaag ik hem, en als ik plaatsneem tegenover hem en begin te praten, gaat zijn mobiel over. 

‘Met Dex.’ Zijn blik verandert van ontspannen naar bloedserieus en ik zit op het puntje van mijn stoel. ‘Oké, dat is niet zo mooi. Ik kom er direct aan.’

De teleurstelling die als een dreun binnenkomt zag ik niet aankomen. Hij mag niet weg, ik wil nog met hem praten! Ik begrijp echt niets van mezelf.

Met een zucht steekt hij zijn telefoon in zijn binnenzak en hij staat op. ‘Het spijt me, ik moet naar mijn saaie kantoor. Mijn secretaresse is vergeten door te geven dat ik nu een afspraak heb.’ 

Ik knik en kijk hem na tot hij uit mijn blikveld is verdwenen. Teleurgesteld prop ik de tompouce in mijn mond.

Als ik na een paar saaie dagen, waarin ik me vermaak met Netflixen en shoppen zonder portemonnee, word gebeld door de dame van het uitzendbureau dat ze een tijdelijke administratieve functie voor me heeft, schiet ik in de stress. Wat als ik het alweer verpruts? Veel tijd om erover na te denken heb ik niet, want het sollicitatiegesprek staat gepland om twee uur. Welgeteld anderhalf uur heb ik om mezelf los te weken van de bank, onder de douche te stappen en aan te kleden. Hoewel negentig minuten best royaal is, stap ik te laat op mijn fiets. Haastig trap ik mezelf naar het bedrijf, waar ik word verwacht door een meneer Jansons.

Bij de receptie van het statige kantoorgebouw meld ik me bij de dame achter de receptiebalie en ik verontschuldig me voor het feit dat ik te laat ben. Ze loopt met me mee naar een kantoor, halverwege een lange gang. 

‘U mag hier wachten, meneer Jansons komt eraan.’ 

Ik knik en neem een glas water van haar aan. Minuten gaan voorbij. Mannen in pak en vrouwen op hakken lopen af en aan, maar ik sta nog altijd voor een gesloten deur. Wat nu? 

Ik zet een stap naar voren en klop op de deur, die op dat moment openvliegt. Een man valt tegen mij aan, ik verlies de grip op mijn glas water en de inhoud gaat over het pak. 

Hij springt achteruit. ‘Shit.’

‘Sorry,’ roep ik en ik kijk omhoog, recht in een bekend gezicht. ‘Holy…’

‘Carwash-Evy.’ Dex grijnst. Zijn witte overhemd is kletsnat.

Nee hè, niet weer.

‘Jij komt voor de functie van secretaresse?’ 

‘Ik denk het,’ piep ik, en ik kan mezelf wel slaan dat uitgerekend op het moment dat ik hem nodig heb, mijn stem me in de steek laat. Ik schraap, slik en hoest tot er weer geluid is. ‘Sorry, ik wist niet dat jij…’

‘Toch grappig dat wij elkaar telkens ontmoeten.’

‘Vind je?’ vraag ik op mijn hoede.

‘Dat vind ik, ja.’ 

De sfeer voelt broeierig. Ik kan mijn ogen niet van Dex afhouden, zoals hij hier tegen de deurpost geleund staat, onwaarschijnlijk knap in een wit overhemd.

‘Ik stel voor dat we het sollicitatiegesprek maar laten voor wat het is,’ zegt hij een beetje schor.

‘Ben ik aangenomen?’ vraag ik verward. Dat is raar, hij heeft nog een enkele vraag gesteld.

Glimlachend schudt Dex zijn hoofd. ‘Nee, Evy, dat lijkt me niet verstandig.’

‘O, oké.’ De teleurstelling druipt van mijn stem. 

‘Luister.’ Dex komt een stukje dichterbij en pakt totaal onverwacht mijn hand vast. 

Een elektrisch schokje trekt door me heen. 

Zijn ogen glinsteren. ‘Ik kan het me niet permitteren iedere dag een nat pak op te lopen en met jou als secretaresse, is die kans best groot…’

Ondanks de teleurstelling moet ik lachen. ‘Ja.’

‘Ik heb een ander voorstel,’ zegt hij, plotseling serieus. ‘Namelijk dat je met mij op date gaat.’

Ik begin te trillen en sla helemaal dicht.

‘O nee, je houdt niet van saaie mannen,’ zegt hij en hij laat mijn hand langzaam los. Ik wil hem smeken mijn hand vast te pakken en meer nog dan dat… ‘Bovendien hou je niet van saaie gehaktballen, maar van gyros.’ Zijn borstkas gaat snel op en neer in zijn vochtige blouse.

Mijn hart bonkt wild, er kriebelt van alles in mijn onderbuik als ik de verlangende blik in zijn ogen zie.

Zeg iets liefs, romantisch, nu! ‘Gyros wordt op den duur ook saai.’ Oké, niet helemaal de reactie waar ik op mikte, maar hopelijk begrijpt hij wat ik wil zeggen.

Dat doet hij, merk ik als hij me naar zich toe trekt en met zijn duim zachtjes mijn wang en kin streelt. ‘Ik wil dolgraag nog eens een waterdate met je, Evy, maar dan denk ik aan een strand… of een warme douche.’ 

‘Dat lijkt me… heel leuk,’ durf ik te zeggen en als zijn lippen dichterbij komen, sluit ik verwachtingsvol mijn ogen. 

‘Een man is meer dan een pak,’ fluistert hij in mijn oor.

‘Ik wil heel graag ontdekken wat voor saais zich onder dat pak bevindt,’ fluister ik terug, voordat zijn lippen de mijne raken.